Albert Hennig

         Albert Hennig (Leipzig 1907 – Zwickau 1998)

         Albert Hennig werd in 1907 geboren in Leipzig en groeide op in een arbeidersgezin. 
         Al jong ontwikkelde hij een sterk gevoel voor sociaal onrecht. Na de lagere school begon hij een
         opleiding als een betonwerker. In die tijd kocht hij uit verveling een camera, eerder met sociale dan
         artistieke bedoelingen. Al in de vroege jaren ’20 werd Hennig lid van het Bauhaus waar hij zich
         toelegde op  fotografie. Hij slaagde er in om alledaagse straattaferelen om te zetten in monumentale
         beelden. Na de verkiezingsoverwinning van de nazi's in de deelstaat Saksen-Anhalt, was het Bauhaus
         gedwongen Dessau te verlaten. Het verhuisde naar Berlijn waar het een privé onderwijsinstelling werd
         onder leiding van Mies van der Rohe. Toen de nazi’s na hun machtsovername in 1933 Hennig’s 
         fotoserie "Kinderen van de straat" in beslag namen vernietigden, leidde dat paradoxaal genoeg tot zijn
         doorbraak als kunstenaar. Bij het Bauhaus oogstte zijn werk erkenning en waardering.

         Van 1929 tot 1931 was Hennig werkeloos. Hij besloot hij om schilderlessen te nemen. Geïnspireerd
         door zijn leraar Josef Albers, wijdde hij zich vanaf 1932 volledig aan het schilderen. In Dessau en Berlijn
         kreeg hij les van Walter Peterhans, Hinnerk Schleper, Joost Schmidt, Mies van der Rohe en
         Kandinsky.  Hun invloed bepaalde zijn artistieke carrière. Ook getuigt zijn werk van een grote spirituele
         verwantschap met het werk van Paul Klee, de grote voorloper van het Bauhaus.
 
         Gedurende de nazitijd voorzag Hennig in zijn onderhoud als betonarbeider. Bij een luchtaanval op
         Leipzig in 1943 werd zijn appartement verwoest, het grootste deel van zijn vroege werk ging verloren. 
         Na de oorlog vertrok Albert Hennig naar Zwickau in voormalig Oost-Duitsland waar hij als lid van de
         plaatselijke Culturele Vereniging een van de oprichters was van de groep "Fine Artists".
 
         In 1948 werd Hennig lid van de regerende communistische SED. Vier jaar later distantieerde hij zich van
         het eenzijdige Oostduitse cultuurbeleid, wat leidde tot verlies van zijn baan bij de Culturele Vereniging.
         Tot 1972 werkte hij weer in de bouw.  Na dat jaar wijdde hij zich opnieuw uitsluitend aan de schilderkunst. 
         Na de Duitse hereniging ontving hij in 1991 de Max Pechstein Prijs en in 1996 het Bundesverdienstkreuz.
         Albert Hennig nam deel aan vele tentoonstellingen in Duitsland en daarbuiten, zijn werk werd alom
         geprezen. Hij creëerde beelden in de strikte, formele taal van het Bauhaus. Het werk van Hennig bevat
         een poëtische eenheid van doordringende vlakken, vormen en lijnen, die deels figuratief en abstract,
         deels objectief associatief worden ondergedompeld in de achtergrondkleuren van het schilderij. 
 
         Albert Hennig hoort tot de kunstenaars van de ‘Verloren generatie’ en wordt algemeen beschouwd als
         één van de laatste kunstenaars wier oeuvre direct geworteld is in het gedachtegoed van het Bauhaus.
         Albert Hennig overleed in 1998 in Zwickau.